Flessenpost van Mika

Onder een (half) pseudoniem schreef ik in 2015 flessenpostbrieven. Een aantal verhalen publiceer ik op deze site, om het als online document te bewaren. Ik schreef mijn brieven, stopte ze in een fles, sloot die af ~ en liet ze achter. Ik schreef verhalen, over mensen die ik ken of heb gekend. Het was een ode aan mijn vrienden, aan het leven, aan de dood. Sommige brieven werden gevonden. Met de vinders heb ik nog altijd contact, heel bijzonder.

Brief aan Henk de Zwerver

Het is eigenlijk best gek dat alles altijd weer neerkomt op de zee. Zelfs bij een zwerver die een paar jaar in het Leeuwarder bos woonde. Een bos dat toch overigens haast geen bos te noemen is, maar ook daarover valt te discussiëren. Zo pakte een goede oude vriend van me het Groot Woordenboek der Nederlandse taal er op een zekere dag bij en sprak, gedragen:

“Woud, bos, bundel, een met opgaande bomen beplante uitgestrektheid grond, woud, hetzij in natuurstaat of aangelegd.” Daarna: “Nou, dan is het Leeuwarder bos dus ook een bos.”
Ik zuchtte.
“Deze bak sprieten een bos?! Nee. Nee! Je snapt het niet! Een echt bos heeft oude bomen! Bomen met jaarringen die ontelbaar zijn. DAT is BOS!”
(…) “Nou,” sprak hij rustig tegen, “zoals het hier staat, en op die Van Dale ga jij altijd prat, is deze bundel sprietjes ook een bos. Alleen dan een pas aangelegd bos.”
Een ander krijgt vlekken in zijn nek. Ik krijg jeuk. Onzichtbare jeuk.

Kamperen

Hoe het ook zij: in die verzameling aangeplante sprietjes wist Henk zich zeker twee jaren schuil te houden in de jaren ’90. Tenminste, dat is wat hij mij heeft verteld. Ik kan het niet verifiëren. Hij is nooit ontdekt, opgepakt of weggestuurd door iemand met een ambtelijke functie. Tegen de tijd dat wij elkaar ontmoetten woonde hij in een huurhuis in een achterstandswijk. Ik weet niet waar precies, daar zijn er namelijk wel meer van in de hoofdstad van Friesland. Ooit kregen ze de naam van een minister die het goed met deze achterstandsmensen voor had: een Vogelaarwijk. Voor geen goudvink zou ik daar willen wonen.

“Zunder weuning kun je niet re-integreer’n, ja.”

Die ‘ja’-toevoeging (zelfs in een ‘niet’-zin) volgde steevast op elk einde van een uitspraak. Dat kwam door waar Henk vandaan kwam. Hij kon daar niets aan doen. Net zo min als een Fries iets kan doen aan het woordje ‘nou’.
“Sûnder wenning kinst net re-yntegrearje, nou?
Wat doen wij Hollanders? Wij houden op na de komma en van de komma maken we een punt. Of, we zeggen na de komma ‘maar’, met vervolgens een argument waarom iets niet kan.

De maatschappij

Henk moest een woning hebben om te kunnen re-integreren, om weer mee te (mogen!) doen in de maatschappij. Ik weet niet of hij daar zelf werk van heeft gemaakt, nadat hij jaren in een tent in het Leeuwarder bos had gebivakkeerd, of dat hij door iemand (zijn ex-vrouw?, een bezorgd familielid?) was gesmeekt zijn leven weer op te pakken. Ik vermoed dat laatste allerminst. Hij kwam trouw, doch altijd te laat, op de bijeenkomsten in het lage witte gebouwtje op het kale industrieterrein van Leeuwarden-West. Iets moest hem daar naartoe gedreven hebben. Misschien wel de wens dat het ooit weer zoals vroeger zou zijn. Dat doen wij mensen graag, terugkijken naar hoe iets was om dat vervolgens als een idioot te gaan romantiseren.

Veel spraken wij niet, maar we waren met elkaar verbonden. Of tot elkaar veroordeeld, wie zal het zeggen? Had Mimi hem gekend, misschien was alles dan wel anders gelopen. Zij niet de zee in. Hij niet grijpend naar de fles. Samen op de bank met een literbak walnotenijs, ik zie het zo voor me. De dikke en de dunne. Allebei zochten zij troost. Alleen zochten ze het in de verkeerde dingen. Ach, hoor wie het zegt. Mika. Het Vat. Wie ben ik? Misschien wel Mimi en Henk in één.

Kom Henk, wie schenk’nons nog ain in!
Kom Miemske, ma pirouetteketetteke,
we doen nog een dansje ~
en ik dans voor jou de wereld rond!

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Anti-spam sommetje *

Scroll to Top