Ko op ‘e dyk

Na mijn yogasessie rijd ik naar huis door het Friese land, over kleine boerenweggetjes. Deze week stond op zo’n boerenweggetje ineens een koe. Ik stop bij de dichtstbijzijnde boerderij en bel aan. De bel doet het niet. Ik klop op de deur en roep “Folluk!” Net als ik weer weg wil lopen, opent een oude man de deur. Nuja, openen… hij zet ‘m op een kier. “Goeie.”, zeg ik. (Spreek uit met de G van gamba, dan zeg je ’t op z’n Fries.) En ik vraag: “Binne dy kij dêr yn it lân fan jo?” (Zijn die koeien daar in het land van u?) 

De man knijpt zijn ogen tot spleetjes. Ik lees daarin: “Wêrom wolsto dat wyte?” (Waarom wil jij dat weten?). Maar hij knikt voorzichtig, dus ik zeg: “Der stiet der ien op ’e strjitte.” (Er staat er eentje op straat.) “Op ‘e dyk?” Oh ja, denk ik: ‘dyk’, dat is beter Fries. “Op ‘e dyk ja.” De man maakt van de kier een opening van zo’n twintig centimeter en vraagt me:

“Is ’t Bertha?”

(…) “Ehm, nou, dat wyt ik net, of het Bertha is.” 


En alsof de koe haar naam hoorde, wandelt zij rustig langs. Oer de dyk. 

“Bertha”, knikt de man bevestigend. 

Op haar gemakje loopt ze naar de stal, terwijl de rest van de koeien verderop in het land staan. 

“Sjoch, Bertha, dy giet har eigen gong.” (Kijk, die koe gaat haar eigen gangetje), zegt de boer – die nu de deuropening zo groot maakt dat hij krékt zelf tussen deur en -post past. Daardoor zie ik zijn buik waarover een lichtblauwe trui is aangetrokken, zo’n week of drie geleden. Zijn gulp staat open, maar het lijkt me niet mijn plek om nou direct daarover iets te zeggen. Bertha is ondertussen zelf thuisgekomen. Op stal. 

“Wêr komsto wei?”, vraagt de man. “Britswert”, zeg ik. “Fan Kromwâl.” 

“Ah! Kromwâl. Normaal freegje wy dan: Fan wa bisto der ien?”

Ik antwoord dat hij best kan vragen van wie ik er eentje ben, maar dat hij de namen niet zal herkennen, omdat ik import ben. Ik ben er eentje van Jan Henk en Alida. Dat zegt hem natuurlijk niks. 

Hij kijkt naar mijn kleurrijke harembroek zoals ik net naar zijn gulp keek.

“Mei ik freegje watsto dochst?” “Jawol, ik jou yoga”, zeg ik. “En ik bin skriuwer.” “Watte?” Ik probeer het nog een keer beter uit te spreken: “Skrie-joe-wer.” “Dat seit my neat. Watti’dat?” Van alle Friese woorden vind ik verdorie het vak dat ik zelf uitoefen nog het meest lastige woord: schrijver. SKRJIEWER. SKRIJOWER. Ik kom er niet uit. “Steward?”, vraagt de man nog, hij doet echt zijn best mij te verstaan…

Ik besluit mijn handen erbij te gebruiken en beeld uit dat ik een pen in de hand heb en op een papier schrijf. “Oooooh, skr-jower’”, zegt hij lachend. “Precies. Schrijver.” En hoewel de deur van het huis niet verder opengaat, lijkt met die werktitel zijn hart wel open te gaan. Prompt zegt hij: “It slimste dat ik ea meimakke ha is de skieding, dat kin ik dy wol fertelle. It hat my ek in soad jild kostte, mar dêr giet it net om. It wurdt der nea better op, dat moasto wol witte.” 

Mijn geest praat zachtjes terug, dat het bij ons – ondanks het onvermijdelijke verdriet dat bij een scheiding komt kijken – zo wonderbaarlijk goed is gegaan… we hebben zo’n goed contact met elkaar. Maar ik geloof dat ik aan de deur ben gekomen om naar de man te luisteren, niet om zelf te praten. 

Hij vertelt over de veranderingen in zijn leven, ook over het veranderende Friese landschap; de boerderijen die geen boerderijen meer zijn, over de windmolens, over de jongeren die alleen nog maar op hun telefoon kijken in plaats van elkaar in de ogen, en over dat we elkaar vroeger nog kenden. Van de weeromstuit noemt hij haast alle namen die op Kromwâl wonen (of hebben gewoond) en ook: wie daar allemaal van gescheiden zijn. 

Als ik verkleumd raak door de wind die vol op de oude boerderij staat, zeg ik dat ik voor mijzelf heb te zorgen en weer verderga. “Skriuwst ek oer it libben?”, vraagt de man. Of ik ook over het leven schrijf… Daarmee raakt hij mijn hart. Dat leven. Dat schrijven. De mensen. De verbinding. Ook al zien we elkaar maar één enkele keer: elke voorbijganger mogen we zien als een vermomde engel. De oude boer zette me weer aan het schrijven. Heel simpel. Ik heb hem een kaartje gestuurd om hem te bedanken voor ons gesprek.

Met de groeten aan Bertha.
Ik lijk geloof ik wel een beetje op haar…  

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Anti-spam sommetje *

Scroll to Top