Ode aan de dood

Vlak voor zijn dood hebben Jan en ik lang gepraat. Dat is veruit het mooiste afscheidsgesprek geweest dat ik ooit heb gehad. Meedogenloos was het moment waarop ik dat besefte. Het gesprek vond namelijk niet plaats omdat wij wisten dat hij kort daarop zou vertrekken. Die gesprekken zijn er ook.

En als je weet dat één van twee binnenkort de oogleden niet meer opendoet, dan zeg je ineens de dingen waarvan je weet dat ze gezegd moeten worden. Mimi had gelijk wat dat betreft, toen zij zei dat je dat dus net zo goed kan doen als je allebei nog lang denkt te leven.

Waarom wachten tot de dood?
Die komt toch wel.
Vaak ook nog onverwacht.

Met mijn jonge oop (zo noemden wij onze grootvader) heb ik op zijn vliegende bed gezeten, voor hij aan kanker stierf. Mensen die aan kanker sterven, kun je voordat ze dat doen eigenlijk al in de kist leggen.

‘Zo ziet een lijk er dus uit.’ Dat heb ik gedacht. Ik stond in de deuropening. Hij lag daar als een zielig hoopje vogel met gebroken vleugels op bed en ik dacht hem al dood. Schaamde me. Durfde die drempel niet meer over, want mensen die de dood al in de ogen kijken, kunnen ongetwijfeld gedachten horen. Dat wist ik zeker.

‘Zo ziet een lijk er dus uit.’

Dat was niet waar, want een lijk praat doorgaans niet. Oop nog wel, toen ik eindelijk voet over de drempel zette. “Dag mijn meisje”, zei hij.

Hij heeft me altijd ‘mijn meisje’ genoemd. Die titel droeg ik graag, misschien juist omdat ik me altijd meer een jongetje voelde, maar dat weet ik niet zeker. Met de grote pop die hij me als bewijs van mijn meisjes-zijn gaf, was ik op z’n zachtst gezegd minder blij. Hij heeft daar echter niets van gemerkt en dat heb ik te danken aan de opvoeding van mijn ouders.

Wij schreven elkaar van jongs af lange brieven. Je zou denken: jij van jongs af, hij niet. Maar oop was jong, niet alleen van geest. Laatst dacht ik: misschien staat hij wel aan de wieg van mijn liefde voor het schrijven van brieven. Destijds deden we hem niet in een fles, maar in een enveloppe. Kun je een dode schrijven? Als hij me heeft gehoord daar staande op die drempel, dan zou dat niet eens ondenkbaar zijn.

Hij leefde nog. Nouja, een beetje. Ik ging naast hem op zijn vliegende bed zitten. Heeellll voorzichtig, want oh, èlke beweging, zelfs het verschuiven van zijn lakens deed hem pijn. En ik hoorde mijzelf zeggen:

“Dank je oop. Dat je er was.”
Ik zei: was.
Terwijl hij daar nog lag te ademen.

Wij schreven elkaar ook toen ik een meisje van 15 was die haar zelfverzekerdheid haalde uit het feit dat twintigers haar die leeftijd absoluut niet zouden geven. Ik schreef hem over de strijd met mijn vader, hij schreef mij dat ik pas ver in mijn dertigste zou beseffen wat mijn ouders voor mij zouden hebben betekend. Hij kreeg gelijk.

Oop aanschouwde alles en trachtte in zijn brieven mijn geblondeerde haar (dat nota bene van nature al blond was) te negeren en achter de onnoemelijke, elke morgen met zorg aangebrachte, make-uplaag te kijken naar het meisje dat ik was.

Ondenkbaar dat ik mijn witte leegte daar op dat sterfbed met hem zou delen.
En toch bood hij troost.
En ik zei ~ hardop:
“Dank je. Dat je er was.”

Tot op de dag van vandaag, hoop ik dat hij die zin heeft begrepen.
Terugnemen kan ik hem niet. 

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Anti-spam sommetje *

Scroll to Top